Zij staat in de deuropening van de werkkamer en vraagt of ze even kunnen praten. Hij zegt dat het nu niet uitkomt, zonder op te kijken van zijn scherm. Een uur later staat ze er weer, met een scherpere toon. Bij veel stellen lopen bindingsangst en verlatingsangst op deze manier door elkaar heen: de een is bang om verlaten te worden, de partner is bang om opgeslokt te worden. Dat kan net zo goed andersom verdeeld zijn.
Ik ben Anne de Jong, relatiepsycholoog, en ik werk al ruim dertig jaar met stellen. Van alle relatiepatronen die ik zie, is dit een van de bekendste. Het goede nieuws is dat het een patroon is, en patronen kun je samen leren doorbreken.
Het patroon: jij zoekt nabijheid, je partner afstand
Het patroon van achtervolgen en terugtrekken ontstaat als de ene partner bij spanning contact en een gesprek zoekt, terwijl de andere partner bij spanning afstand en rust zoekt.
In de vakliteratuur heet het ook wel het vraag-terugtrekpatroon. Volgens onderzoekers is het het meest voorkomende conflictpatroon in vaste relaties. Een analyse van 74 studies met ruim 14.000 deelnemers liet zien dat stellen in dit patroon minder tevreden zijn over hun relatie en minder intimiteit ervaren. Het maakte daarbij niet uit wie welke rol had: of de vrouw aandrong en de man zich terugtrok of andersom, het patroon was even schadelijk (Communication Monographs, 2014).
Bindingsangst en verlatingsangst zijn de gewone woorden voor wat eronder zit. De partner die achtervolgt, is bang om verlaten te worden. De partner die zich terugtrekt, is bang om opgeslokt te worden of tekort te schieten. Allebei proberen ze het weer veilig te krijgen, alleen op een manier die de partner nog banger maakt.
Vaak ligt er onveilige hechting onder, met een angstige hechtingsstijl bij de een en een vermijdende bij de partner. Welke hechtingsstijlen er zijn en hoe ze ontstaan, lees je in Hechtingsstijlen: hoe ze je relatie bepalen.
Waarom bindingsangst en verlatingsangst elkaar vaak vinden
Bindingsangst en verlatingsangst vinden elkaar vaak, omdat ze elkaar in het begin aanvullen en later elkaars oude verwachtingen bevestigen.
In een onderzoek onder 354 stellen werd geen enkel stel gevonden waarin beide partners angstig gehecht waren, of beide vermijdend (Journal of Personality and Social Psychology, 1994). De stijlen vonden elkaar dus niet willekeurig. Opvallend was ook dat relaties van vermijdende mannen en van angstige vrouwen na drie jaar vaak nog bestonden, terwijl beide partners er aan het begin weinig tevreden over waren.
Aan het begin voelt het als een goede match. De partner met verlatingsangst ziet iemand die rustig en zelfstandig is, en voelt zich daar veilig bij. De partner met bindingsangst ziet iemand die warm is en het contact draagt, zodat hij of zij zelf niet zoveel hoeft. Als de verliefdheid zakt, worden diezelfde eigenschappen een bron van ruzie.
Er speelt nog iets mee. Een partner die net buiten bereik blijft, voelt voor iemand met verlatingsangst vertrouwd. Het lijkt op wat hij of zij als kind kende, en dat vertrouwde verwarren we makkelijk met liefde.
Hoe het patroon escaleert
Dit patroon escaleert doordat de reactie van de een steeds de angst van de partner vergroot, waardoor allebei steeds sterker in hun rol schieten.
Het begint klein. De een vraagt hoe het gaat, de partner zegt “goed” en kijkt weer naar de telefoon. De vraag wordt een verwijt: “Je bent er nooit echt.” Het verwijt maakt de partner nog stiller, en de stilte maakt het verwijt feller. Na een paar jaar hoeft er nauwelijks iets te gebeuren. Een zucht of een dichte deur is genoeg om het hele patroon af te spelen.
Allebei zien ze de partner als oorzaak. De achtervolger denkt: als mijn partner nou eens gewoon praat. De terugtrekker denkt: als mijn partner me nou eens met rust laat. Allebei hebben ze een punt, en het helpt geen van beiden verder.
Sommige stellen komen pas als de achtervolger is opgehouden met achtervolgen. Het lijkt rustig in huis, terwijl de partner die altijd vocht voor contact moe is geworden.
“Als de partner die altijd om contact vroeg stil wordt, denken stellen vaak dat het beter gaat. Voor mij is dat het moment om goed op te letten.”
Wordt het bij ruzies zo fel dat er wordt geduwd of gedreigd, dan is dit geen patroon meer om samen aan te werken. Veiligheid gaat voor. Neem dan contact op met Veilig Thuis via 0800-2000.
Het patroon doorbreken, samen en alleen
Doorbreken begint ermee dat jullie het samen als patroon gaan zien: iets wat tussen jullie gebeurt, en waar jullie allebei aan meedoen.
Samen
Geef het patroon een naam. Sommige stellen kiezen er zelf een woord voor, zoals “de draaimolen”. Als een van jullie het hardop zegt, stappen jullie even uit je rol en kijken jullie er samen naar.
Spreek een pauze af die voor jullie allebei veilig voelt. De partner die zich terugtrekt, zegt erbij wanneer hij of zij terugkomt op het gesprek, bijvoorbeeld na het eten of morgenochtend. De partner die achtervolgt, laat het tot dat moment rusten. Zo voelt de pauze voor de een als rust, en voor de partner als een afspraak in plaats van verlaten worden.
Vertel daarna wat er onder je rol zit. De achtervolger kan zeggen: “Ik word bang dat ik je kwijtraak.” De terugtrekker kan zeggen: “Ik word bang dat ik het nooit goed kan doen.” Die zinnen voelen spannender dan een verwijt, en ze landen bijna altijd beter.
Let daarnaast op de keren dat het wel lukt om eruit te stappen, en benoem die hardop. Dan wordt het makkelijker om het de volgende keer weer te doen.
Alleen
Ook als je partner niet meedoet, kun je het patroon veranderen, omdat een patroon twee kanten nodig heeft. Ben jij degene die achtervolgt, oefen dan met één keer zeggen wat je nodig hebt en daarna iets voor jezelf gaan doen. Ben jij degene die zich terugtrekt, oefen dan met blijven: vijf minuten langer dan je zou willen, en hardop zeggen dat je even tijd nodig hebt in plaats van weg te lopen.
Wil je partner niet mee naar een coach, dan vind je meer in Relatietherapie alleen of samen? Naar een relatiecoach als je partner niet mee wil.
Een voorbeeld uit de praktijk
Soms draait het patroon om, zodra de partner die altijd achtervolgde ermee stopt.
Dit voorbeeld is samengesteld uit meerdere stellen en niet herleidbaar naar één stel.
Hanneke en Wouter zijn vijftien jaar samen. Jarenlang was Hanneke degene die vroeg om tijd samen en om gesprekken. Wouter vond dat ze overdreef, en trok zich terug in zijn werk en op zijn racefiets. Een jaar geleden is Hanneke gestopt met vragen. Ze doet een cursus keramiek en lijkt tevreden. Nu is het Wouter die hen aanmeldt. Hij zegt dat hij haar kwijt is.
In het eerste gesprek is Hanneke opvallend kalm. Ze zegt dat ze niet boos meer is, alleen moe. Wouter praat snel en veel. Hij vertelt dat zijn moeder vroeger alles van hem wilde weten, en dat hij als puber zijn kamerdeur op slot deed om even alleen te zijn. Hannekes vragen voelden voor hem als die moeder. Nu ze niets meer vraagt, merkt hij hoe erg hij haar aandacht mist.
Hanneke was thuis het zusje dat zich aanpaste. Om aandacht vragen voelde altijd al als zeuren, en toen Wouter zich terugtrok, bevestigde dat haar oude gevoel dat ze te veel was. Stoppen met vragen was voor haar een manier om zichzelf te beschermen.
In de gesprekken daarna oefent Wouter met iets wat hij nooit deed: zelf om contact vragen, rustig en zonder paniek. Hanneke oefent met laten merken dat ze hem nog mist. Het gaat langzaam. Na een paar maanden plannen ze een weekend weg, en het idee komt van Wouter.
Dat het patroon kan omdraaien, laat zien dat het vooral om de rollen gaat en minder om de personen. Achter allebei die rollen zit dezelfde behoefte, gezien worden door je partner. En dat kun je samen leren.